Stel je een straat voor die door kinderen is ontworpen, met slingerende paden, kleurrijke stoeptegels, speeltoestellen en heuveltjes om op te rennen. Er zou ongetwijfeld veel gespeeld en bewogen worden. Maar wat gebeurt er als we die gedachte doortrekken naar de hele wijk en bewoners zélf de regie geven? Dat is precies waar de ABCD-principes om draaien.
In een nieuwe blogreeks laat Jouke Janze van J&J Advies en stichting Groningen Beweegt zien hoe deze principes werken, met inspirerende voorbeelden uit de praktijk en frisse inzichten voor elke buurt.
Wat zijn de ABCD-principes?
Asset Based Community Development (ABCD) is het proces dat mensen samenbrengt om in hun buurt, wijk of dorp zelf en samen verandering teweeg te brengen. Het begint bij wat er al ís in een buurt. Denk aan de talenten van bewoners, de kracht van lokale verenigingen, ontmoetingsplekken, organisaties, middelen en de verhalen van bewoners. Samen vormen ze een stevige basis voor verandering.
Vaak ligt de focus bij overheden, maatschappelijke organisaties of professionals op wat er ontbreekt of misgaat. Dan wordt er bijvoorbeeld gekeken naar een gebrek aan voorzieningen, hoge werkloosheid, overlast of andere knelpunten. Deze benadering definieert een buurt of gemeenschap vaak door zijn problemen. ABCD draait het juist om: het gaat uit van wat er wél aanwezig is. Denk aan de talenten, vaardigheden, netwerken en initiatieven van bewoners. Hoe kun je deze sterke punten verbinden om gezamenlijk maatschappelijke doelen te bereiken?
Voor professionals betekent dit een nieuwe manier van werken. Door nieuwsgierig te zijn, te luisteren en echt in gesprek te gaan, ontstaat er ruimte. Ruimte om het initiatief bij de bewoners te laten. Dat klinkt eenvoudig, maar het vraagt om lef. Want hierbij bepaal jij als professional niet voor de ander wat er nodig is, maar je leert te luisteren naar waar behoefte aan is.
Kinderen laten kiezen
Zou jij het aandurven om bewoners hun wijk te laten vormgeven, ook als dit helemaal anders is dan jij voor ogen had? Kars Deutekom, programmamanager Bewegen, Gezondheid en Sport bij stichting CLC en Sportbedrijf Arnhemmooi deelde met Jouke een mooi voorbeeld uit Arnhem. Toen een deel van een plein moest verdwijnen vroegen ze niet de volwassenen, maar de 450 kinderen op school om hun mening. Het voorstel van de kinderen was: de straat afsluiten en er een speelplek van maken!
Wat hier interessant is, gaat verder dan het idee zelf. Het laat zien hoe oplossingen ontstaan wanneer je eigenaarschap verlegt. De kinderen keken niet vanuit een tekort, maar vanuit mogelijkheden. Het is een spiegel voor professionals: vragen wij de juiste mensen? Of luisteren we vooral naar de luidste stemmen in de wijk, straat of het dorp?
Een echte duurzame beweging
Dat is wat er ontstaat als bewoners zich gaan inzetten voor hun eigen gezondheid én die van de omgeving. Het werkt het beste als dit op kleine schaal gebeurt, dus op straat, wijk of dorpsniveau. Want hoe kleiner de afstand, hoe meer je betrokken kunt zijn bij elkaar en mensen kan uitnodigen om mee te doen.
Als we meer mensen in beweging willen brengen, moeten we ons dus bewust zijn van belangrijke ontmoetingsplekken in de buurt. Op die plekken ontstaan echte verbindingen tussen mensen. Echte verhalen komen naar boven. Sporten en bewegen gebeurt niet alleen in sporthallen of fitnesszalen. Het gebeurt op de leefplekken die mensen dagelijks delen.
Het gebruik van de ruimte
Edward T. Hall, een Amerikaanse antropoloog, introduceerde in 1966 in zijn boek The Hidden Dimension de term ‘proxemics’. Hij definieerde het als de studie van hoe mensen hun ruimte gebruiken en hoe dit gebruik van ruimte communicatie en sociale interacties beïnvloedt. Hij onderscheidt vier ‘ruimtes’:
- Publieke ruimte : de parken, pleinen en winkelcentra. Toegankelijk voor iedereen, maar vaak vluchtig in contact.
- Sociale ruimte : de kantines, sporthallen en terrassen. Een doelgerichte plek, waar je elkaar vaak formeel ontmoet
- Persoonlijke ruimte : de fitnessplek, het sportzaaltje. Waar het gesprek op een feestje met je buren, vrienden of collega’s plaatsvindt. Je deelt meer, de verbinding is sterker.
- Intieme ruimte : de veilige plek met je partner, familie of kind. Dichtbij, veilig en vertrouwd.
Als je je als professional wilt inzetten voor meer bewegen, kan je je afvragen: welke ruimte wordt er gebruikt voor het beweeginitiatief? En waar gebeurt de ontmoeting die bewoners belangrijk vinden?
De kracht van kleine groepen
Bij Stichting Groningen Beweegt ontdekten Jouke en zijn collega’s dat de sociale en persoonlijke ruimte de ideale voedingsbodem vormt om mensen in beweging te brengen en aan elkaar te verbinden. Groepen van circa 6-15 deelnemers zijn ideaal voor laagdrempelig bewegen. Groot genoeg voor bewoners om anoniem te blijven, klein genoeg om gemist te worden bij afwezigheid. Het mooie is: zulke groepen worden vaak lokaal georganiseerd, door een bewoner of een trainer. Geen ingewikkelde aanmeldprocedures, geen hoge drempels.
We willen vaak “groot denken” met campagnes, interventies en projecten. Maar duurzaam bewegen begint in een wijk, dorp of straat, waar mensen elkaar kennen. Durf jij als beleidsmaker of (beweeg)professional die kleine schaal belangrijk genoeg te maken?
Wat kan jij doen als professional?
De theorie en voorbeelden kunnen inspireren, maar de vraag is: wat doe jij morgen? Een paar concrete stappen:
- Zoek de sleutelpersonen in een wijk en ondersteun hen. Vaak zijn het niet de beleidsmakers, maar is het de bewoner die iedereen kent.
- Zorg dat je aanwezig bent op ontmoetingsplekken en kijk naar wat er al gebeurt. Niet meteen organiseren, maar eerst observeren.
- Faciliteer groepen van 6–15 mensen: klein, dichtbij, laagdrempelig. Precies daar ontstaat beweging en verbinding.
- Laat eigenaarschap bij bewoners en durf de uitkomst open te laten. Soms is het resultaat anders dan je had gepland, maar juist daardoor ontstaat eigenaarschap.
Het vraagt een verschuiving van rol: van regisseur naar verbinder. Van controle houden, naar ruimte geven. In de volgende blogs gaat Jouke hier verder op in. Houd onze nieuwspagina in de gaten voor het vervolg.
Foto: Marianne Brouwer


